Deelsommen met rest oefenen

Niet elke deelsom komt precies uit. Typ hoe vaak het erin past, en wat er overblijft.

Zo reken je een deelsom met rest uit

Niet elke deelsom komt precies uit. Neem 23 : 4. In de tafel van 4 zoek je het grootste antwoord dat nog in 23 past: dat is 20, want 5 × 4 = 20. Het verschil tussen 23 en 20 is 3. Dus: 23 : 4 = 5 rest 3.

  1. Zoek in de tafel het grootste antwoord dat nog in het getal past.
  2. Hoe vaak zit het getal daarin? Dat is de uitkomst.
  3. Wat er nog overblijft, is de rest. De rest is altijd kleiner dan het getal waardoor je deelt.

Typ hierboven eerst de uitkomst en daarna de rest. Bij delen door 6 kan de rest 1, 2, 3, 4 of 5 zijn. Zou de rest 6 of meer zijn, dan past de 6 er nog een keer in.

In het dagelijks leven kom je dit vaak tegen: 23 koekjes verdelen over 4 kinderen geeft ieder 5 koekjes, en er blijven er 3 over. Zie ook de gewone deelsommen en de uitleg over deeltafels.

Veelgestelde vragen

Wat is een deelsom met rest?

Een deelsom die niet precies uitkomt. Bij 23 : 4 past 4 er 5 keer in (5 × 4 = 20) en blijven er 3 over: 23 : 4 = 5 rest 3.

Hoe reken je een deelsom met rest uit?

Zoek in de tafel het grootste antwoord dat nog in het getal past. Bij 38 : 6 is dat 36 = 6 × 6. Het verschil, 2, is de rest: 38 : 6 = 6 rest 2.

Kan de rest groter zijn dan het getal waardoor je deelt?

Nee. Is de rest even groot of groter, dan past het getal er nog een keer in. Bij delen door 4 is de rest dus altijd 0, 1, 2 of 3.